The Cloud Messenger


De wolkenbode


O thou, who com’st from Heaven’s King, 

scion of a noble race,

who wearest wondrous forms at will, 

O glorious cloud, I welcome thee!


O gij, gezant van de Hemelskoning,

telg uit een nobel geslacht,

die naar believen wonderlijke vormen aanneemt, 

o roemrijke wolk, ik heet u welkom!


Where’er thou goest, 

lonely wives, 

who pine in solitude 

with close-bound hair, 

will arise and gaze along the road. 

Thou bringest home their absent husbands, 

who will loosen their tresses 

and fill their hearts with joy.


Waar gij ook gaat 

staan eenzame vrouwen op, 

verkwijnend van verlatenheid,

met opgestoken haar,

en staren de wegen af.

Gij brengt hun verre echtgenoten weer thuis, 

die hun vlechten zullen losmaken 

en hun hart met vreugde zullen vervullen.


Save one!


Behalve één!


In the city of the Great God 

my wife sits alone, 

counting the days that creep wearily on.

In his anger the Great One has banished me.

For a year I must wander, 

bereft of her who is my second self.


In de stad van de Grote God

zit mijn vrouw, alleen, 

de dagen te tellen, die langzaam voortkruipen.

De Machtige heeft mij in zijn toorn verbannen.

Een jaar lang moet ik ronddwalen,

verstoken van haar, mijn wederhelft.


Bringer of rain to the thirsty land, 

bringer of joy unto those in sorrow, 

thou goest to the city that lies 

’mid the eternal snows of the Himalaya, 

the city whose groves are bathed 

in the glory of the Great God. 

Thou dost ride the wind proudly, 

thou art surrounded by wild birds 

who sing thy praises. 

With thee cometh thy dazzling bride, 

the lightning, joyously playing at thy side.

O cloud, O harbinger of joy, 

bear a message to my love, 

tell her of the longing 

that burns my soul!


Gij die regen brengt naar het dorstige land 

en vreugde aan hen die treuren, 

gij reist naar de stad die te midden 

van de eeuwige sneeuw van de Himalaya ligt, 

de stad wier boomgaarden baden 

in de glorie van de Grote God. 

Trots berijdt gij de wind, 

omringd door wilde vogels 

die u lofzingen, vergezeld door 

uw schitterende bruid, de bliksem, 

die vrolijk aan uw zijde speelt.

O wolk, o voorbode van blijdschap, 

breng mijn geliefde een boodschap, 

vertel haar van het verlangen 

dat mijn ziel verschroeit!


Tarry not, O cloud, tarry not! 

Rushing northward through the sky 

thou seemest a mountain peak, 

torn from its roots 

and hurled onward by the wind.


Draal niet, o wolk, draal toch niet! 

Haast u noordwaarts door de hemel, 

als een bergtop, 

losgerukt van zijn wortels 

en voortgeslingerd door de wind.


At the sound of thy thunder 

the hills rejoice. 

In gratitude they reach out toward thee. 

Veil their heads in thy embrace, 

pour down thy rain in huge torrents upon them, 

quench the fierce forest fires that assail them.

At the sound of thy thunder 

the birds rejoice. 

They rise up hailing thee 

and fly with thee toward the Himalaya.

At the sound of thy thunder 

the lonely worker rejoices. 

He leaves his toil in the field

and seeks home.

See how all greet thee. 

Yet stay not, 

let not each hill beguile thee with the scent 

of the flowers thou hast revived.

Tarry not, O cloud, tarry not! 

Leave the highlands, 

sweep down onto the plains.


Bij het horen van uw donder 

verheugen de heuvels zich. 

Dankbaar reiken ze naar u. 

Omsluier hun hoofden in uw omhelzing,

stort uw regen in hoosbuien over hen uit, 

doof de woeste bosbranden die hen belagen. 

Bij het horen van uw donder 

verheugen de vogels zich. 

Ze vliegen op vol aanbidding

en trekken met u naar de Himalaya.

Bij het horen van uw donder 

verheugt de eenzame arbeider zich. 

Hij staakt zijn gezwoeg in het veld 

en vertrekt richting huis.

Zie hoe iedereen u groet. 

Maar treuzel niet, 

laat niet elke heuvel u verleiden met de geur 

van de bloemen die gij hebt doen herleven.

Draal niet, o wolk, draal toch niet! 

Laat de hooglanden achter u, 

daal vlug af naar de vlakten.


Behold the villages, 

the hedges white with flowers, 

the trees in the sacred groves 

whose branches hang down heavy 

with nesting birds.

Village wives gaze on thee 

with tender pleading eyes 

that know not how to woo thee wantonly. 

Here you may rejoice in the fragrance 

of the earth newly ploughed.


Zie, de dorpen, 

de witte bloemenhagen, 

de bomen in de heilige gaarden 

waarvan de takken laag hangen 

door de nestelende vogels.

Dorpsvrouwen kijken naar u 

met tedere, smekende ogen 

die niet weten hoe ze u speels kunnen verleiden. 

Hier kunt gij u verheugen op de geur 

van vers geploegde grond.


As the rain descends, 

green shoots appear. 

On marshy banks

the plantains arise. 

Sprinkle the buds of the jasmine 

that grow near the forest rivers. 

Spread thy cool shade 

over the burning cheeks 

of the maidens who gather flowers. 

The birds fly up in thousands, 

circling round, drinking thy raindrops, 

filling the sky with thy praises. 

The sound is wafted by the south wind 

filled with the fragrance 

of the opening lotus.


Bij het vallen van de regen 

verschijnen groene scheuten. 

Aan moerassige oevers 

ontspruit de pisangboom. 

Besprenkel de knopjes van de jasmijn 

die bij de bosrivier groeit. 

Verspreid uw koele schaduw 

over de gloeiende wangen 

van de maagden die bloemen plukken. 

De vogels vliegen op in duizendtallen, 

zwermen rond, laven zich aan uw regendruppels 

vullen de lucht met uw lofzangen. 

Hun geluid wordt meegevoerd 

door de zuiderwind, die gevuld is 

met de geur van de ontluikende lotusbloem.


Tarry not, O cloud, tarry not!

Behold her lying there, yearning for thee 

who hath been absent so long: 

a poor thin wandering stream, 

like the braided tresses 

of one early widowed. 

On her banks the trees shed 

their withered leaves in silent sympathy. 

Let not her pleading glances be in vain.

Pour down thy rain on her, 

fill her heart with gladness. 

Yet beware, lest the sight of her beauty 

tempt thee to forget thy high purpose, 

to forsake thy journey and, 

drinking in her loveliness, 

sink down in deepest oblivion.


Draal niet, o wolk, draal toch niet!

Zie haar daar liggen, smachtend naar u 

die zo lang afwezig zijt geweest: 

een armzalig, kronkelend stroompje, 

als de gevlochten lokken 

van een jonge weduwe. 

Aan haar oevers werpen de bomen 

in stil medeleven hun verwelkte bladeren af.

Laat haar smekende blikken niet vergeefs zijn.

Giet uw regen over haar uit, 

vul haar hart met blijdschap. 

Maar hoed u voor haar schone aanblik: 

laat die u niet verleiden om uw hogere doel

te vergeten, om uw reis te verzaken, en,

uzelf verdrinkend in haar lieflijkheid,

weg te zinken naar de diepste donkerte.


Tarry not, O cloud, 

bow thy head: thou art come 

to the foot of the Himalaya, 

from whose peaks, 

white with everlasting snow, 

springs the Holy Mother Ganga. 

Tarry not, O cloud, 

ascend the mighty pass. 

With thee come those 

that are freed from sin, 

journeying to their last home

in the sacred city on Mount Kailasa.


Draal toch niet, o wolk, 

neig uw hoofd: gij hebt de voet 

van de Himalaya bereikt, 

uit wier toppen, 

wit van eeuwige sneeuw, 

de Heilige Moeder Ganges ontspringt. 

Draal toch niet, o wolk, 

bestijg de machtige bergpas. 

Met u komen zij

die van hun zonden verlost zijn, 

die naar hun laatste thuis reizen 

in de heilige stad op de berg Kailasa.


(Ah —)

And hark!

Afar off thou canst hear the singing maidens,

chanting the praises of their Lord. 

The sound is mingled with the music 

of the wind-blown reeds 

growing at the riverside. 

Ascend ever higher! 

Tarry not, O cloud! Lo!

Thou hast reached the 

snowy peaks of Kailasa.


(Ah —)

En hoor!

In de verte zingen de dienstmaagden 

lofliederen voor hun Heer. 

Hun gezang vermengt zich met 

de klanken van het verwaaide riet 

dat langs de rivieroever groeit.

Stijg alsmaar verder! 

Draal toch niet, o wolk! Zie! 

Gij hebt de besneeuwde toppen 

van Kailasa bereikt.


Behold the sacred city, 

round which flows Ganga 

like a maiden’s robe 

clinging to her form. 

There the vast temple spires 

reach up to kiss thee, 

glittering with jewels 

that shine like thy rainbow. 

There the gentle breeze 

that bears thee onward 

is heavy with incense 

and the fragrance of the lotus. 

There in the temple are the dancers, 

fair as thy bride the lightning; 

their tresses bound in jasmine, 

their dark eyes flashing with joy 

as they greet thee.

There at even the minstrels assemble 

to sing the praises of their Lord.


Zie de heilige stad, 

waar de Ganges omheen stroomt 

zoals het gewaad van een maagd 

zich vormt naar haar gestalte. 

Daar strekken de rijzige tempeltorens 

zich uit om u te kussen, 

met hun glinsterende edelstenen 

die stralen als uw regenboog. 

Daar wordt de zachte bries 

die u voortdraagt 

zwaar van de wierook 

en de geur van de lotusbloem. 

Daar in de tempel zijn de dansers, 

schoon als uw bruid, de bliksem; 

hun haren ingevlochten met jasmijn, 

hun donkere ogen schitteren 

van vreugde wanneer ze u groeten.

Daar komen de minstrelen ’s avonds bijeen

om de glorie van hun Heer te bezingen.


And see! The Great God himself, 

whose tread shakes the mountains! 

He descends, and begins his solemn dance. 

O cloud, great is thy honour! 

Join thy deep voice to those of the singers, 

let thy thunder, rolling o’er hill-tops, 

echoing through caves, 

beat out the measure for the dancing 

of Him who holds the Three Worlds in His grasp.


En zie! De Grote God zelf, 

wiens schreden de bergen doen beven! 

Hij daalt neer en begint zijn plechtige dans.

O wolk, groot is uw roem!

Voeg uw diepe stem bij die van de zangers, 

laat uw donder rollen over de heuvels, 

weergalmen door de grotten, 

de maat slaan voor de dans van Hem 

die de Drie Werelden in zijn macht heeft.


(Ah —)


(Ah —)


Yet tarry not, O cloud, tarry not!


Maar draal niet, o wolk, draal toch niet!


When the dancers are weary, 

and the minstrels sink down to slumber,

when the temple drum rolls out 

its deep voice for the last time, 

steal o’er the roofs 

of the palaces, 

covered with gems 

and swaying lotus leaves. 

From afar thou wilt see an arched gate, 

in front a pond with swans, 

eagerly awaiting 

the coming of the rain. 

Sink gently down, 

let thy lightning gleam faintly 

as ’twere the glittering of fireflies: 

for there is my love’s home, 

joyless as a lotus 

bereft of the sun. 

Therein is my second self, 

pining as a storm-swept flower.


Wanneer de dansers vermoeid raken, 

de minstrelen neerzakken om te rusten 

en de tempeltrom zijn diepe stem

voor het laatst doet dreunen, 

drijf dan stilletjes 

over de daken van de paleizen, 

die bedekt zijn met edelstenen 

en wuivende lotusbladeren. 

Van ver zult gij een gewelfde poort zien, 

daarvóór een vijver met zwanen, 

die reikhalzend uitkijken 

naar de komst van de regen. 

Strijk zachtjes neer 

en laat uw licht gedimd schijnen, 

als het glinsteren van vuurvliegjes: 

want daar is het huis van mijn geliefde, 

vreugdeloos als een lotusbloem 

die onttrokken is aan de zon.

Daar woont mijn wederhelft, verkwijnend 

als een door een storm geteisterde bloem.


Wearied by sorrow, 

she seeks relief in slumber. 

As she smiles, let thy voice be silent, 

lest in her dream my arm 

should be unwound from her neck.


Afgemat door verdriet 

zoekt zij toevlucht in haar slaap. 

Als ze glimlacht, laat dan uw stem verstillen, 

opdat ze in haar dromen 

in mijn armen kan verblijven.


Wait near her flower-covered window 

until her eyes, half-opened, rest on thee. 

Let thy cool breeze, 

scented with the moist earth 

and the jasmine blossom,

play gently on her cheek. 

Then, with the soft voice of thy thunder, 

breathe these words in her ear:


Blijf wachten bij haar bloemrijke venster, 

tot zij haar ogen, halfopen, op u laat rusten. 

Laat dan uw koele bries,

geurend naar vochtige aarde 

en jasmijnbloesem, 

zachtjes haar wang strelen. 

Fluister daarna, met de zachte stem 

van uw donder, deze woorden in haar oor:


“I, the bringer of the rain, 

who with deep-sounding thunder 

call the traveller to return to his home, 

to hasten and unbind 

his wife’s braided hair; 

I, the cloud, bring thee tidings 

of him who is ever thine. 

Men say that love perishes through separation,

but loneliness increases his love.

At night time in his dreams 

he comes to thee and knoweth joy again. 

But in the day his form 

is wasted like thine, 

his face tear-stained like thine, 

sighs deep as thine fall from his lips. 

The days crawl on wearily 

for him as for thee. 

He who once whispered words 

of love in thine ear, 

now sends thee a message 

from his heart’s grief:


“Ik, brenger van regen, die met mijn 

diepe donder de reiziger oproep 

om terug te keren naar huis,

om zich te haasten en het haar

van zijn vrouw te ontvlechten; 

ik, de wolk, breng u een boodschap 

van hem die voor altijd de uwe is. 

Men zegt dat afstand de liefde doet vergaan, 

maar eenzaamheid versterkt juist zijn liefde.

’s Nachts komt hij in zijn dromen 

bij u en ervaart weer vreugde.

Maar overdag is zijn gestalte gebroken 

als die van u, zijn gezicht betraand 

als het uwe, zuchten zo diep 

als die van u verlaten zijn lippen. 

De dagen kruipen net zo langzaam voort

voor hem als voor u. 

Hij, die ooit zoete woorden 

in uw oor fluisterde, 

stuurt u nu een boodschap 

vanuit zijn harteleed:


‘Beloved! In the forest creeper 

I see the tender grace of thy form, 

in the startled look of the doe 

the glance of thine eye, 

in the ripple of the waters 

lies the loving play of thy brow. 

I fain would paint my 

remembrance of thee on a stone. 

But the tears fall fast and blind me: 

only in my dreams can I behold thee.


‘Geliefde! In de ranken van het woud 

zie ik jouw sierlijke gestalte, 

in de geschrokken blik van de hinde 

jouw glinsterende oogopslag, 

in het rimpelende water 

jouw lieve, speelse wenkbrauwen. 

Ik zou mijn herinnering aan jou 

op een steen willen schetsen.

Maar mijn tranenvloed verblindt me: 

ik kan je slechts aanschouwen in mijn dromen.


Yet who hath perpetual joy or sorrow? 

Our lot doth go now up, now down, 

like the rim of a wheel. 

No yearning can shorten 

the days of my exile that still remain.

Let this my message bring thee comfort, 

as the Messenger bringeth comfort 

to the parched earth.’”


Wie heeft er echter eeuwig vreugde of verdriet? 

Ons lot gaat nu weer omhoog, 

dan weer omlaag, als de rand van een wiel. 

Geen enkel verlangen kan de resterende 

dagen van mijn ballingschap verkorten.

Laat deze boodschap je troosten, 

zoals de Boodschapper troost biedt 

aan de verdorde aarde.’”


Naar Meghadūta van Kālidāsa (ca. vijfde eeuw n. Chr.), vertaald door leden van de Programmainformatiecommissie van het USKO: Jan Huizinga, Sterre D’Agata, Mijntje du Pont, Stijn Bruning, Hugo Groeneveld en Thijs ter Rele; vanuit de Engelse bewerking van Gustav Holst (1874–1934), gebaseerd op de vertaling vanuit het Sanskriet van Robert Watson Frazer (1854–1921)

Website by Webroots

Analytics by Conversios