Programmatoelichting – door Hugo Groeneveld

Traditiegetrouw voert het USKO vanavond voor u de Matthäus-Passion op, misschien wel Bachs bekendste en zeker een van zijn meest uitgevoerde werken. Afhankelijk van de uitvoering duurt de Matthäus meer dan twee en een half uur. Daarmee is het een imposant werk, zowel voor de huidige concertganger als voor de kerkgangers voor wie J.S. Bach componeerde. Tevens wordt het door velen gezien als zijn beste werk: een grootse vertolking van het bekende lijdensverhaal van Christus, muziek die jaarlijks duizenden mensen opnieuw meeneemt in de emotionele vervoering van het evangelie. Om deze muziek ten gehore te brengen heeft het USKO de week na kerst van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat de muziek ingestudeerd, op ons jaarlijkse ‘Bachkamp’.

De Matthäus-Passion omvat twee hoofdstukken van het evangelie van Mattheüs (26-27), aangevuld met reflecties op het verhaal geschreven door Bachs vaste tekstschrijver Christian Friedrich Henrici (alias Picander). Het verhaal omvat de laatste dagen van het leven van Jezus: zijn zalving, het laatste avondmaal met zijn discipelen, het verraad van Judas en zijn veroordeling en dood aan het kruis. De twee hoofdstukken van Mattheüs lijken ons nu misschien een kort stuk om meer dan twee en een half uur aan muziek van te maken, maar Bach weet op briljante wijze elk onderdeel van het centrale verhaal van het Christendom te verrijken met een emotionele én symbolische betekenis. Zo vormt het spel van de strijkers een soort muzikale aureool wanneer Jezus spreekt, zijn heiligheid illustrerend, totdat hij geheel alleen die allerverontrustende uitroep doet: “Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?” Of neem de woedende reactie van het koor na het gevangennemen van Jezus, waar ze de “sind Blitze, sind Donner” (bliksem en donder) ten gehore brengen met korte harde noten. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden van de verbeelding van het verhaal in de muziek.

De tekst uit het Nieuwe Testament wordt gezongen door de evangelist (tenorsolist) die het verhaal op de meest directe wijze vertelt met minimale muzikale begeleiding. Deze recitatieven worden afgewisseld door aria’s, koralen en turbae. De aria’s, gezongen door de solisten op speciaal voor dit stuk geschreven teksten van Picander, onderbreken het verhaal door een emotionele reflectie op het zojuist vertelde te geven. De vele kortere koralen vervullen een soortgelijke rol, maar waren bekende kerkliederen in de tijd van Bach waarmee de kerkgangers die zijn publiek vormden dus ook innig vertrouwd waren. De turbae zijn stukken waarin het koor direct een bepaalde groep in het verhaal vertolkt, vaak de boze menigte die Jezus wil veroordelen, maar ook bijvoorbeeld de discipelen wanneer ze Jezus vragen wie van hen hem zal verraden in “Herr, bin ich’s?”. Een aantal leden van het koor vertolken ook belangrijke figuren in het verhaal, zoals Judas, Petrus en Pontius Pilatus.

Bach componeerde de Matthäus voor zijn kerkgemeenschap in Leipzig, waar ze voor het eerst werd uitgevoerd in 1727. Bach bracht later een aantal wijzigingen aan, waarvan het meest opmerkelijke het nieuwe slotkoor van het eerste deel was. Gedurende zijn actieve jaren componeerde Bach continu nieuwe muziek voor zijn kerkgemeenschap, naast dat hij zelf ook zijn muziek dirigeerde vanachter het klavecimbel (een voorganger van de moderne piano). Degenen die toentertijd de Matthäus hoorden, waren dus ook allen bekend met het verhaal en haar uitgangspunt: het meeleven met het lijden van Jezus. De Matthäus-Passion moet met zijn grootse opzet ook voor de kerkgangers in Bachs tijd een indrukwekkend werk zijn geweest. Bach maakte gebruik van twee koren en orkesten, wat het mogelijk maakte om een vraag-en-antwoordstructuur aan te brengen. Een voorbeeld hiervan is het openingskoor, waar het eerste koor het tweede oproept om mee te ‘klagen’ over het lijdensverhaal van Jezus en haar vragen (“Wen?” “Den Bräutigam”, “Wie?” “Als wie ein Lamm”) beantwoordt.

Ondanks dat Bach een gewaardeerde organist en componist was in zijn tijd, raakte zijn muziek, waaronder de Matthäus-Passion, na zijn dood vrijwel compleet in de vergetelheid. Het werd pas weer uitgevoerd nadat een jonge Felix Mendelssohn het stuk herontdekte en in 1829 een beknopte versie uitvoerde met symfonieorkest. Sindsdien heeft het stuk steeds meer bekendheid verworven en wordt het ook steeds vaker op een meer historisch geïnformeerde wijze uitgevoerd, namelijk met een relatief kleine bezetting en met authentieke versies van instrumenten. De samenstelling van het orkest is daarom ook anders dan bij symfonieorkesten uit latere periodes. Bij deze uitvoering maken we gebruik van een klavecimbel (voorloper van de piano die tokkelt in plaats van op snaren te slaan), een kistorgel (een kleiner orgel dat gemakkelijker in een orkest past) en barokstokken (dus eigen aan de muziekperiode waarin Bach componeerde) voor de strijkers. Het koor bevatte in Bachs tijd waarschijnlijk maar zo’n acht mensen, maar om ruimte te bieden voor alle Bachliefhebbers binnen het USKO (wat er heel wat meer zijn dan acht) voeren wij het uit met een groot koor. Al hoeft historische accuraatheid natuurlijk niet het grootste, laat staan het enige, doel te zijn. 

In Nederland in het bijzonder wordt de Matthäus elk jaar veel uitgevoerd en het is in dit land naast zijn religieuze inhoud dan ook een heuse culturele traditie geworden. Misschien is dit de eerste keer dat u de passie gaat ervaren, of misschien is het ook voor u een jaarlijkse traditie. Hoe het ook zij, bij het USKO zijn we blij om elk jaar weer Bachs muziek tot leven te mogen brengen. 

Wilt u meer lezen over Bach en de Matthäus-Passion, dan kunt u de onderstaande QR-code scannen voor een link naar het informatieboekje voor dit programma, samengesteld door de Programmainformatiecommissie van het USKO!

Website by Webroots

Analytics by Conversios